|
Wie was Nikola Tesla?
Nikola Tesla (geboren 9/07/1856, te Smiljan, Kroatie, overleden te New York 7/1/1943) was een Servisch-Amerikaanse uitvinder en onderzoeker die het roterende magnetisch veld ontdekte, de basis voor de meeste machines welke gebruik maken van wisselstroom. In 1884 emigreerde hij naar de Verenigde Staten en verkocht in 1885 de patentrechten van zijn systeem van wisselstroomdynamo's, transformatoren en motoren aan George Westinghouse. In 1891 vond hij de z.g. Tesla-spoel uit, een inductiespoel die vooral in de radiotechniek gebruikt werd. Tesla's familie was van Servische oorsprong, zijn vader was een orthodoxe priester, zijn moeder was ongeschoold, maar zeer intelligent. Een dromer, met een poetische inslag, voegde aan deze eigenschappen zelfdiscipline toe en de zucht naar precisie. Voor zijn loopbaan als ingenieur studeerde hij aan de Technische Universiteit van Graz, Oostenrijk, en de Universiteit van Praag. In Graz zag hij de eerste Gramme-dynamo, welke werkte als een generator en, bij omkering, werd het een elektromotor. Zodoende bedacht hij een manier de voordelen van de wisselstroom te gaan gebruiken. (In die tijd werd alleen met gelijkstroom gewerkt.) Later, in Budapest, vormde hij zich een beeld omtrent het roterend magnetisch veld en ontwikkelde plannen voor een inductiemotor, wat de eerste stap zou worden naar het succesvol gebruik van de wisselstroom.
Nikola Tesla, hij is zo goed als vergeten. Toch was hij in zijn tijd minstens zo beroemd als Edison, die hij waarschijnlijk ook in genialiteit verre overtrof. Marconi, de uitvinder van de radio, zal iedereen onmiddellijk opdreunen. Maar vrijwel niemand weet dat Tesla hem voor was geweest, een feit dat pas na jarenlang slepende processen en na zorgvuldige bestudering van de octrooiaanvragen door een Amerikaanse rechtbank werd erkend.
Eigenlijk is hij de uitvinder van de wisselstroom, of beter gezegd: hij was de eerste die een goede methode ontwierp om er gebruik van te maken. Zijn grootste prestatie op dit gebied was de inductiemotor of asynchrone motor, die hij al bedacht toen hij zestien was, maar pas op tweeëndertigjarige leeftijd, in 1888, in productie kon brengen. Verder construeerde hij talloze nieuwe toestellen - dynamo's, een hoogspanningstransformator (zgn. teslatransformator), inductiespoelen, condensatoren, lampen, enzovoort. Praktisch heel de huidige elektriciteitsvoorziening van de wereld komt tot stand met behulp van toestellen die hij in eerste instantie heeft bedacht.
Zijn naam komt tegenwoordig hoogstens nog ter sprake als de SI-eenheid van magnetische inductie, de 'tesla'.
Wanneer men beweert dat genialiteit grenst aan waanzin, dan klopt dit beslist voor Tesla. Hij was een kleurrijk figuur en een zonderling. Een opsomming van zijn eigenaardigheden is even fascinerend als de lijst Griekse schepen met hun bemanningen aan het begin van de Ilias. Het aantal voorwerpen dat hij hanteerde, het aantal gerechten van een maaltijd, het aantal happen dat hij moest nemen om het eten weg te werken, het aantal passen dat hij moest zetten om een afstand te overbruggen - allemaal moesten ze deelbaar zijn door drie, was dat niet het geval dan moest de handeling weer van voren af aan beginnen. In het restaurant waar hij elke dag at, moest zijn tafel gedekt worden met 24 splinternieuwe servetten, die hij één voor één gebruikte om het bestek en de borden schoon te poetsen. Als er dan een berg gesteven linnen naast hem op de grond lag kon de maaltijd bijna beginnen - bijna, want eerst diende nog het aantal kubieke centimeters van de opgediende gerechten berekend te worden, anders had hij er geen plezier in. En mocht er onverhoopt tijdens de maaltijd een vlieg op zijn tafel landen, dan moest alles weer verwijderd worden en kon de hele ceremonie opnieuw beginnen. Boorden en zakdoeken gebruikte hij maar één keer, elke week kocht hij een nieuwe das, de enige kleuren die hij tolereerde waren rood en zwart, hij gebruikte nooit een wc waar iemand anders op gezeten had. Hij was zo vies van alles dat hij op latere leeftijd zelfs geen handen meer wilde schudden en hij schijnt zijn hele volwassen leven niemand te hebben gekust. En natuurlijk, zoals alle zonderlingen, praatte hij in zichzelf - niet zomaar zachtjes voor zich uit mompelen, nee luidop hele gesprekken voeren en daarbij verschillende stemmen nabootsen, zodat het op een afstand leek alsof er een heel gezelschap zat te converseren.
Zijn genialiteit bleek al op jonge leeftijd, vooral door de eenvoud van zijn ideeën. Terwijl zijn vriendjes allerlei soorten aas uitprobeerden en met dure hengels in de weer gingen om kikkers te vangen, liet hij gewoon een scherpe haak aan een touwtje voor de ogen van de beesten bungelen. Ze hapten gretig toe en zo ving hij de meeste kikkers van allemaal. In die tijd bedacht hij ook het plan om ter hoogte van de evenaar een ring rond de aarde te bouwen. Eerst moesten er natuurlijk steigers komen om de constructie te stutten, maar als hij klaar was, konden ze worden weggehaald en zou de ring door de zwaartekracht op gelijke afstand van het aardoppervlak blijven zweven. Door een zeker 'slipeffect' zou hij bovendien iets trager draaien dan de aarde zelf en daarvan kon gebruik worden gemaakt om zonder energiekosten de wereld rond te reizen. Misschien was de vertraging zelfs wel te benutten als energiebron.
Hij beschikte over een buitengewoon perceptievermogen. Statische elektriciteit zag hij als een lichtgevende krans om mensen en voorwerpen hangen. De poes gaf 'groen licht' als hij hem aaide en de vonken die van zijn vacht spatten maakten luide knallen. Ook bezat hij het vermogen tot echolokatie (het zogenaamde 'aangezichtszien'): in een donkere ruimte 'zag' hij de plaats en de vorm van de voorwerpen om hem heen met zijn voorhoofd . Toen hij een keer ernstig ziek werd en hoge koorts kreeg, raakten zijn zintuigen als het ware oververhit en ging hij bijna dood van de indrukken (letterlijk). Als er een vlieg op tafel landde hoorde hij een doffe klap, het kleinste zonnestraaltje dat zijn ogen trof veroorzaakte een enorme klap in zijn hoofd, hij werd gek van de stemmen op straat, en de trillingen van een rijtuig in de verte deden hem ondraaglijk pijn. Nog lang nadat hij hersteld was van zijn ziekte moest hij al zijn wilskracht bij elkaar rapen om onder een brug of andere overkoepeling door te lopen omdat hij dan een enorme druk op zijn hoofd voelde (een soortgelijk symptoom treedt vaak op bij de ziekte van Parkinson).
Hij leed aan hallucinaties. Hij zag dingen en mensen om zich heen die er niet waren (zei zijn omgeving) maar die hij niet van echt kon onderscheiden. Later ging het een beetje over (hij beweerde zelf dat hij ze door een uiterste wilsinspanning 'verjoeg'), maar hij bleef in staat de producten van zijn verbeelding zo levendig voor zich te zien alsof ze werkelijk bestonden. Dat kwam goed van pas bij zijn uitvindingen. De machines, de apparaten die hij ontwierp zag hij tot in de kleinste details driedimensionaal voor zich. Hij kon ze van alle kanten bekijken, uit elkaar nemen, van binnen inspecteren en, in het geval van motoren, laten 'draaien'. Hij zei dat hij kon voelen of de machine uit het lood stond, of dat er een onderdeel uit balans was en precies de plek aanwijzen waar de schoen wrong. Als hij zo enkele 'proefmodellen' had 'uitgeprobeerd' kon met de constructie worden begonnen - en eureka, het werkte. 'Ever so much more expeditious and efficient' noemde hij deze methode, in tegenstelling tot de 'gewone', die hij maar 'omslachtig' vond.
|